ArtEZ Art & Design Arnhem - Graduation Catalogue 2009

In alle veelvormigheid - Jos Beek
Graphic design - Een pleidooi voor speculatief ontwerpen - MetaHavenk
Fine Arts - Kunstenaarschap en zelfvertrouwen - Hugo Bongers
Education in Art and Design - Peter Smeets, Elsbeth Veldpape

In alle veelvormigheid
Jos Beek

In bonte schakering presenteren zich hier de afstuderende studenten van de academie met hun eindexamenwerk. Het is een catalogus geworden die er wezen mag! Het lijkt erop alsof van jaar tot jaar de ontwerpers elkaar willen aftroeven en overtreffen. De catalogus weerspiegelt de veelvormigheid, die eigen is aan een kunstacademie, zeker aan de Academie Arnhem. Het ontwerp van dit jaar brengt de eenheid van de academie tot uiting in de manier waarop de presentaties gebundeld zijn en in het lettertype. In de “waaier” ziet u de verscheidenheid van de verschillende opleidingen met elk hun eigen identiteit. Eenheid en verscheidenheid, eenheid en veelvormigheid dus. Het ontwerp van de catalogus is opnieuw een eindexamenopdracht van studenten (zie het colofon) van de afdeling Graphic Design. De digitale versie van deze catalogus is te bekijken op www.eindexamenacademiearnhem.nl.

De foto’s en het werk betreffen alle afstudeerders van de opleidingen van de academie, te weten Vrije Kunst (Fine Art), Fashion Design (modevormgeving), Product Design, Graphic Design (grafisch ontwerpen), en de Docentenopleiding beeldende kunstvakken. Van de afdeling Interaction Design vindt u in deze catalogus nog geen eindexamenwerk: de afdeling bestaat sinds 2006 en levert volgend jaar de eerste afgestudeerden af. Binnen de kunstacademie bestaat steeds een symbiotische samenhang van vrije en toegepaste kunst, die de beste voedingsbodem vormt voor de ontwikkeling van het talent van de vrije kunstenaar en voor het creatieve ontwerp van de vormgever. ArtEZ Academie Arnhem onderscheidt zich van oudsher van de andere twee ArtEZ-kunstacademies in Zwolle en Enschede doordat Arnhem in profiel en missie sterk de nadruk legt op het thema “Kunst, ontwerp en praktijk”.

Het onderwijs van Arnhem is in hoge mate vakgericht kunstonderwijs. Veel waarde wordt gehecht aan onderzoek en analyse van opdrachten en aan de eigen creatieve ontwikkeling van de individuele student. Het onderwijs kent daarnaast een sterke beroepsgerichtheid. Deze elementen komen in alle onderdelen van het curriculum in de vierjarige opleiding tot uiting, maar ook in de keuze van docenten. Alle docenten van de praktijkvakken komen uit de beroepspraktijk: zij combineren deze met een stukje lesgeven. Het opleiden van toekomstige collega’s en het doorgeven van hun ambacht en vakkennis vormen hun maatschappelijke drive. De studenten participeren tijdens hun studie en in stages bij ontwerpbureaus aan projecten met opdrachtgevers uit de beroepspraktijk. Zo leren zij onder begeleiding van hun docenten het samenspel opdrachtgever – opdrachtnemer kennen. Dat samenspel vergt respect voor elkaars expertise en voor de noodzakelijke artistieke ruimte, die de kunstenaar en ontwerper vragen van de opdrachtgever om hun creativiteit tot gelding te brengen. Aan de zakelijke aspecten van de beroepspraktijk wordt in Arnhem, geïntegreerd in projecten en lessen of via afzonderlijke cursussen, in ruime mate aandacht besteed. Dit én de directe relatie met docenten uit de beroepspraktijk en met opdrachtgevers, vormt naar ons idee de beste garantie dat studenten goed worden voorbereid op hun toekomstige beroepspraktijk en niet na hun studie in een zwart gat vallen.

In hun afstudeeropdracht laten de studenten zien hoever de eigen artistieke ontwikkeling in vier jaar kunstacademie hen gebracht heeft. Als culminatiepunt van vier jaar studie is het eindexamenwerk een momentopname. Overigens wordt niet dit individuele werk beoordeeld, maar de algehele artistieke ontwikkeling van de student, waarvan dit werk onderdeel uitmaakt en er de momentane uitdrukking van is. De beoordeling is dus breder. Het diploma is aan de andere kant ook weer het startpunt van verdere groei en ontwikkeling van de kunstenaar of vormgever die nu op eigen benen staat, los van de opleiding, niet meer begeleid door docenten. Zoals o.a. uit recente beroepsmatigheidsonderzoeken van Kunstenaars en Co blijkt, staan zeker de jonge kunstenaars meer en meer midden in de maatschappij. Zij zijn veel meer dan vorige generaties gericht op het spelen van een rol van betekenis in de samenleving. Zij willen hun inkomen graag zelf verdienen met hun ondernemerschap in kunst en vormgeving. Wij zijn uiteraard zeer nieuwsgierig wat de toekomst aan deze alumni, deze jonge toekomstige ontwerpers en kunstenaars zal brengen. Wij volgen hen dan ook graag in hun ontwikkeling na de academie.

Voor het huidige moment geldt, dat wij deze studenten, hun ouders, verwanten en vrienden, en al degenen die hen gestimuleerd hebben in het volgen van hun studie en het maken van hun eigen keuzes, feliciteren met het behalen van hun diploma. Ook is hun presentatie in deze catalogus een felicitatie waard. De studenten zijn er naar ons oordeel zeer wel in geslaagd zichzelf en hun werk een eigen profilering te geven ten opzichte van elkaar, met behoud van herkenbaarheid van hun opleiding en van het profiel van de Academie Arnhem.

Wij zijn dus met reden trots op de kwaliteit van het werk van onze afstudeerders en van de presentatie ervan in deze catalogus. Wij zijn ook trots op onze docenten, die deze studenten zover hebben gebracht! Voor de hoge kwaliteit van Arnhem staat immers de expertise van een heel team borg: de kwaliteit van onze docentcoördinatoren, docenten, werkplaatsassistenten en andere begeleiders van de academie en van ArtEZ. Mede door hun inzet en bijdrage kon dit resultaat worden behaald. Sommigen van hen hebben ook tekstbijdragen geleverd, waarvoor dank. Door de jarenlange toewijding van al deze begeleiders aan hun vak en aan het kunstonderwijs en dankzij het talent van de studenten van de lichting 2009 zelf kunnen wij nu u deze prachtige catalogus van de academie aanbieden.

Voor het laatst gebeurt dat onder de naam “ArtEZ Academie Arnhem”. Vanaf september 2009 gaat de academie door het leven als “ArtEZ Art & Design Arnhem”. Deze subtiele verandering vloeit voort uit het volgende meerjarenplan (2009-2012) van de faculteit. Daarin is er onder meer voor gekozen om aansluiting te zoeken bij de steeds internationaler wordende uitstraling van onze opleidingen. Onze designopleidingen presenteren zich in binnen- en buitenland, bijvoorbeeld in Parijs, Milaan, New York meer en meer als “Dutch Design”. Onze nieuwe studenten zijn spelenderwijs opgegroeid met kennis van de multimedia; voor hen is een aanduiding van een opleiding als “Fashion Design” vaak herkenbaarder dan een term als “Modevormgeving”. De naamsverandering hangt daarnaast samen met een wijziging in de managementstructuur van ArtEZ, een wijziging, die noodzakelijk wordt geacht om de meerwaarde van ArtEZ voor het gezamenlijke onderwijs beter gestalte te kunnen geven. Door opleidingen, die behoren tot aanverwante vakgebieden, over de locaties heen onder te brengen in één organisatorisch verband, worden niet langer de locaties maar de vakgebieden Fine Art, Media & Graphic Design, Fashion & Product Design, en de docentenopleidingen het dragende element binnen de organisatie van ArtEZ en de faculteit. Op die wijze komt de kwaliteit en de breedte van het onderwijs van ArtEZ op de best mogelijke manier aan alle studenten ten goede. Mijn opvolger zal dan ook zijn: de toekomstige inhoudelijke sectordirecteur voor het vakgebied Fashion & Product Design, die tevens verantwoordelijk wordt voor de onderwijsorganisatie van de locatie Arnhem binnen de faculteit Art & Design.

Deze catalogus is bij uitstek een werk om te bewaren om er nog vaak naar te kunnen grijpen en opnieuw door te bladeren. Wij wensen u daarbij veel kijk- en leesplezier!


Namens de faculteitsdirectie,
Jos Beek,
Directeur a.i. ArtEZ Academie Arnhem ArtEZ Art & Design Arnhem.


Een pleidooi voor speculatief ontwerpen
Metahaven

Het laatste werk van de legendarische Amerikaanse ontwerper Paul Rand was het logo van het energiebedrijf Enron (1996), een bedrijf dat werd omringd door schandalen en in 2001 over de kop ging nadat het zichzelf rijk had gerekend aan niet-bestaand kapitaal en speculatieve waarde. Van het logo, een ‘E’ in outline, stond een driedimensionale versie als ‘corporate art’ voor het hoofdkantoor in Houston; het wordt sindsdien vooral met het falen van het neoliberalisme geassocieerd. In november vorig jaar werd tijdens een politiek rumoerige dag in België een man in pak gefotografeerd met een stapel A4tjes in zijn linkerhand. Toen hij werd vastgelegd door een ANP-fotograaf, bleek het resultaat zo scherp dat niet alleen de man zichtbaar was, maar vooral het bovenste document van de stapel papieren. De man op de foto was Filip Dierckx, Chief Executive Officer (CEO) en lid van de Raad van Bestuur van Fortis. Op het document stonden geheime aantekeningen over de verkoop en opsplitsing van verschillende onderdelen van de bank-verzekeraar. Er stond onder meer dat Fortis zijn belang in de Nederlandse bank ABN Amro zou verkopen aan branchegenoot ING. Die zou een bedrag van 10 miljard euro op tafel willen leggen. Ook was leesbaar dat Fortis-topman Maurice Lippens zou opstappen.

De foto laat zien hoe onzeker de waarde en betekenis van een ‘cor-porate imago’ is geworden, als dit voortdurend wordt beïnvloed door speculatie, roddels en geruchten. Een corporate identiteit is steeds minder een gesloten geheel, en steeds meer onderdeel van een informatienetwerk. Dit netwerk bepaalt steeds meer de waarde en de betekenis. Hoe meer megapixels, hoe minder zekerheid.

Geloofwaardigheid en functionaliteit

Logo’s van failliete bedrijven hebben iets tragisch. Het optimistische logo van een goedlopend bedrijf verandert in een ruïne op het moment van een regime change. Op het hoogtepunt van de bankencrisis publiceerde het Financieele Dagblad beelden van het ABN Amro-hoofdkantoor aan de Amsterdamse Zuidas, waarbij het oude ABN-logo werkeloos tegen de muur stond naast het nog niet geïnstalleerde beeldmerk van Fortis, dat inmiddels al niet meer bestond. Ook filmde de krant de brievenbus van de Amsterdamse vestiging van Icesave, de IJslandse internetbank, die in allerijl Nederland verliet toen bleek dat de spaartegoeden in rook waren opgegaan. Op de brievenbus, ook aan de Zuidas, was nog de contour van het weggehaalde Icesave-logo te zien.

Ooit moest informatie, om geloofwaardig en betrouwbaar te zijn, er vooral goed en overzichtelijk uitzien. Inmiddels weten we dat het daar niet om gaat – ‘informatie’ brengt tegenwoordig vooral onrust teweeg. Informatie is onzekerheid geworden. Elke mededeling kan in twijfel worden getrokken, elk citaat wordt traceerbaar, elk imago kan worden ontkracht, en achter elk corporate nieuwsbericht gaat een schaduwwereld schuil die met een paar klikken op internet kan worden blootgelegd. De meeste overheden en bedrijven spreken tegenwoordig, in plaats van branding, over ‘reputatiemanagement’.

Toch worden er, uiteraard, nog voortdurend logo’s en identiteiten ont- worpen, her-ontworpen, en verworpen. Bij een nieuw logo, een nieuwe identiteit, wordt vaak de vraag opgeworpen of het ontwerp de opdrachtgever wel op de juiste manier representeert? Klopt het wel? Kan of mag het wel? In 1972 gingen de ontwerpers Wim Crouwel en Jan van Toorn met elkaar in debat.1 In dit publieke gesprek werden de verschillen in ontwerpopvatting tussen de twee ontwerpers goed zichtbaar, maar ook hun overeenkomsten. Crouwel en Van Toorn zijn het er bijvoorbeeld over eens dat de grafische kwaliteit van het spontaan geschilderde ‘beeldmerk’ voor de revolte van mei 1968 in Parijs te wensen over laat. Maar ze vinden dit om verschillende redenen. Volgens Crouwel is het resultaat te amateuristisch en te weinig functioneel. Voor Van Toorn laat het beeldmerk zien dat ontwerpers juist tè professioneel zijn geworden, en iedere aansluiting hebben verloren met de sociale en politieke context van hun vak.

Informatie als science fiction

Boris Groys gaat in zijn essay The Obligation to Self Design voorbij aan de tegenstellingen die Crouwel en van Toorn als ontwerpers verdelen. Design vervult volgens Groys inmiddels een centrale rol in het bestaan van het individu – omdat (seculier) ‘self-design’ het idee van de schepping heeft vervangen. Daardoor is de discussie over ‘functionaliteit’ versus ‘geëngageerd ontwerp’ minder relevant geworden. Elk ontwerp is immers gericht op zelflegitimatie.

‘With the death of God, design became the medium of the soul, the revelation of the hidden interior. Thus design took on an ethical dimension it had not had previously. In design, ethics became aesthetics; it became form. From where religion once came, design has emerged. The modern subject now has a new obligation: the obligation to self-design, an aesthetic presentation as ethical subject. Modern design is ethics become form.’2

In zijn Premselalezing 2009, Dasein als Design of: moet design de wereld redden, benoemt Henk Oosterling een vergelijkbare verschuiving. Volgens Oosterling leidt de alomtegenwoordigheid van ontwerpen uit- eindelijk mogelijk tot het verdwijnen van de ontwerper als herkenbare figuur:

‘De innovatieve rol van de designer lijkt uitgespeeld. Zij verdwijnen als mediator in de vernetwerkte samenleving. Als iedereen een designer is en ons Dasein een en al design is geworden is de designer overal en nergens.’3 Oosterling en Groys spreken over het inzetten van ontwerpen voor en door het individu. De tegenstelling tussen functionaliteit en engagement, waar Crouwel en Van Toorn over debatteerden, wordt minder relevant, omdat het doel van steeds meer design het ‘reputatiemanagement’ van het individu zelf is. Ook organisaties en merken definiëren zichzelf tegenwoordig graag als een persoon, de zogeheten ‘corporate personality’. Men neemt aan dat het voor consumenten gemakkelijker is om zich te identificeren met een persoon dan met een abstracte, gezichtsloze organisatie. Maar organisaties kunnen de manier waarop zij onderdeel uitmaken van de netwerken - en daarmee van de maatschappij - zelf eigenlijk niet ontwerpen. Dat is juist de factor waarop zij weinig invloed hebben. Daardoor is er een steeds groeiende discrepantie tussen wat organisaties zeggen dat ze zijn, en hoe ze worden waargenomen. Het logo is een ‘hollow shell’ geworden, waar vooral een wisselende inhoud in moet kunnen passen en waar vaak helemaal niets in zit. Van ‘representatie’ kunnen we eigenlijk niet meer spreken; het logo is er vooral om ons vakkundig te misleiden.

Aan de ene kant is er het idee van zelfrepresentatie door sociale netwerken en reputatiemanagement; aan de andere kant ondergraven informatiestromen iedere pretentie tot representatie en betrouwbaarheid. We moeten naar een nieuw model, waarin de instabiliteit en onzekerheid van netwerkstructuren worden ontworpen als onderdeel van het merk. Norman Potter schrijft het al in What is a Designer: ‘The one thing about the future of which a (design) student can be sure, is that its demands on him [or her] are strictly unpredictable.’4

1 Frederike Huygen, Dingenus van de Vrie,
Het Debat: Wim Crouwel & Jan van Toorn, Eindhoven: ZOO, 2008
2 Boris Groys, ‘The Obligation to Self-Design’, New York: e-flux journal #0, 2008,
zie www.e-flux.com/journal
3 Henk Oosterling, Dasein als Design of: moet design de wereld redden?, Premsela lezing 2009 zie www.premsela.org
4 Norman Potter, What is a designer, London: Hyphen Press, 2002, p. 155


Kunstenaarschap en zelfvertrouwen
Hugo Bongers

Enkele gedachten over het kunstenaarschap naar aanleiding van een gesprek met een groep studenten van Vrije Kunst / Fine Art Arnhem die nu afstuderen.

Met dank aan de studenten Rebecca Wassermann, Mirka Farabegoli, Jeroen Rijnders, Jeannoux van Deijck, Niek Audenaerd, Witte van Hulzen, Daniela Schwabe en Yette Rohde.

Is er al iets als een beroepstrots? Zo sterk willen de studenten met wie ik spreek het niet uitdrukken maar wel: “Ik ben er zeker van dat ik kunstenaar wil zijn.” “Dat alles in mijn leven nog geheel open ligt maakt me erg zeker”, zegt een ander over het komend kunstenaarschap. En weer een ander: “Ondanks de mogelijke financiële armoede heb ik toch een gevoel van luxe dat ik nu voor het kunstenaarschap kies.”

Het bewust afstand doen van status, het onvoorwaardelijk durven voor het kunstenaarschap te gaan “omdat je voor die vrijheid kiest”, zijn stellige geluiden die in het gesprek naar voren komen. Men heeft er geen moeite mee zich te verdedigen tegen een buitenwereld die vraagtekens zet bij een toekomst als kunstenaar. Een student: “Als ik daarover de discussie wil beëindigen zeg ik maar: stel je een wereld voor zonder kunst.”

Ik trof een sterk gemotiveerde groep studenten aan die, zo lijkt het, er geen enkele moeite mee hebben om hun positie als kunstenaar in de wereld te verdedigen. Ze zijn er trotst op voor dit vak gekozen te hebben. Ze zijn behoorlijk zeker van zichzelf. Ze zijn bereid te vechten voor hun vrijheid als kunstenaar.

Over waar het in de kunst in essentie om gaat bestaan uiteenlopende ideeën, maar de nadruk ligt toch wel op het “anders zien dan gebruikelijk, anders naar de wereld kijken dan jouw omgeving doet.” Het kunstwerk is belangeloos, maar kan wel politieke uitspraken doen. Kunst kan grenzen overschrijden, door kunst kun je vrijheid bevechten. “Het zelf willen creëren van een wereld die voor anderen niet zichtbaar is, daar gaat het mij om.” Verder verschillen de posities die de studenten innemen nogal. Van kunst ter wille van de kunst, van schoonheidsbeleving tot kunst als een essentiële maatschappelijke kracht. Eén student heeft grote twijfel of hij er eigenlijk wel bij wil horen: “Ik zou mezelf niet onder dat groepje kunstenaars willen rekenen, ik zie te veel oppervlakkige, niet serieus te nemen kunst om me heen.”

Kunstenaars nemen, als vanouds, sterk verschillende posities in. Er zijn avant-gardisten, wereldverbeteraars, samenwerkers, kluizenaars, pragmatici, estheten en nog veel meer. Die pluriformiteit tref je overal aan, zeker ook in een groep studenten die, vrij toevallig, bij elkaar is gebracht in één jaargang Vrije Kunsten in Arnhem. Het is te vroeg voor een kunstenaar om zich bij het afstuderen vast te leggen op een positie. De professionele wereld begint nu en je moet nog alle kanten op kunnen. Het verblijf van een kunstenaar (in een artist-in-residence programma) in een ander land kan helpen om je te oriënteren. De kunstwereld is internationaal, zo niet mondiaal geworden, ook voor de starters.

“Je moet als kunstenaar veel meer over je zelf kunnen nadenken en praten dan vroeger”, merkt een student op. De behoefte om door te denken over de positie als kunstenaar is in de groep waarmee ik sprak vrij groot. De opleiding aan ArtEZ vindt men daarvoor te weinig theoretisch; het is een nogal praktijkgerichte opleiding. Velen hebben dan ook, na de academietijd, behoefte aan voortgezet debat en discussie over het kunstenaarschap. De waarde van het atelier, de studio waar je als kunstenaar in alle rust en beslotenheid onderzoek kunt doen wordt echter ook door allen ingezien. Sommigen hebben er geen enkel probleem mee zichzelf de komende halve eeuw werkend in de beslotenheid van het atelier te denken. “Je beleeft het avontuur uiteindelijk toch in tje eigen geest.”

Het vermogen tot zelfreflectie is groot, onder de afstudeerders. Ook in de praktijk zie ik beeldend kunstenaars als een over het algemeen welbespraakte beroepsgroep, zich redelijk bewust van het eigen kunnen en het vermogen daaraan uitdrukking te geven. Lezingen, debatten en discussies trekken overal in het land veel jong kunstenaarsvolk. Maar iedereen realiseert zich ook dat het eigenlijke scheppende werk, dat van oog en hand, in de studio gebeurt.

De kunstenaar als cultureel ondernemer is een thema dat in de wereld van het cultuurbeleid en de politiek sterk leeft. Zijn de studenten daar mee bezig geweest? “Docenten mijden het onderwerp; de docenten zijn er toch eigenlijk meer mee bezig dat we goede kunst maken, in technische zin.” Maar ook: “Onze docenten praten wel op een positieve manier over het ondernemerschap, ze benadrukken het belang van een actieve opstelling door kunstenaars; ze zijn voor ons ook wel een goed voorbeeld, het zijn ook allemaal mensen met een eigen beroepspraktijk.”

Niet zozeer de lessen in ondernemerschap zijn de studenten bijgebleven, wel de manier waarop hun docenten zelf in het leven staan. De docenten hebben een drukke beroepspraktijk, doen veel buiten de academie en zijn daarmee een permanent aanwezig rolmodel.
Ook al zijn de studenten nog niet intensief bezig met hun toekomst als cultureel ondernemer, ze spreken er niet negatief over. Op dit moment, bij het verlaten van de academie, overheerst echter de behoefte om eerst een eigen artistieke positie in te nemen. Op dit moment, bij het afstuderen, begint de noodzaak jezelf inhoudelijk van de anderen te onderscheiden. Het bewustzijn nu een eigen artistieke plek te moeten veroveren leeft sterker dan de ondernemersrol die men binnenkort moet aannemen.

Niemand ziet op tegen samenwerking met andere groepen in de samenleving. “Het lijkt me een interessante ervaring om met mensen te werken; ervaring met andere sectoren van de samenleving is relevant en we kunnen best uitleggen wat onze specifieke rol als kunstenaar is.” De studenten zijn niet bang voor wisselwerking met andere disciplines. “Dan ontstaat er synergie.” Samenwerking met andere disciplines dwingt je ook sterker een beeld te vormen van je eigen werk als beeldend kunstenaar. “In de wisselwerking tussen kunstenaar, ontwerper en muzikant ontstaan nieuwe dingen, dat soort dingen doen we nu al.”

Niet iedere student zit er op te wachten straks als kunstenaar met community art aan de slag te gaan. Maar niemand zou er erg tegenop zien. De studenten denken goed te kunnen uitleggen wat hun specifieke rol als beeldend kunstenaar zou kunnen zijn als ze ‘de wijk in gaan’. En interdisciplinaire samenwerking is al helemaal geen punt. Dat doe je gewoon, je kunt heel goed duidelijk maken wat de eigen rol van de beeldend kunstenaar is tussen de andere artistieke disciplines. Er is een groot vertrouwen in het eigen kunnen, een sterk gevoel van eigenwaarde in interdisciplinaire werkprocessen. Dat komt goed overeen met wat we tegenwoordig in de samenleving zien: kunstenaars van alle disciplines werken vaak met elkaar samen. Kunstenaars kunnen hun eigen inbreng goed onder woorden brengen en staan stevig in hun schoenen als het om samenwerking gaat. Ze zijn goed thuis in het gebruik van verschillende beeldtalen en hebben gevoel voor andere kunstdisciplines. Ze kiezen een sterkere bemiddelende rol in de samenleving dan vroeger.

De behoefte om na de academie met elkaar een groep te vormen en als groep naar buiten te treden is niet groot. “Je hebt wel behoefte aan contact om te zien waar de ander mee bezig is, maar niet te vaak.” Er is geen grote behoefte om samen werk te presenteren of als groep naar buiten te treden. “Ik wil niet in een groep zitten die bijna niet meer zonder elkaar kan.”

Het is een tijdje mode geweest om na het verlaten van de academie met elkaar een kunstenaarsinitiatief op poten te zetten. Dat zie ik deze kunstenaars niet doen. Ze beschouwen het toch als een toevalsproces dat ze in deze samenstelling bij elkaar zijn gezet. Er is niet het gevoel van een gezamenlijke identiteit. Men heeft behoefte om na het verlaten van de academie met collega’s contact te houden, maar niet per se met deze klasgenoten van de academie. “Leeft er iets als een tijdgeest in onze groep?” vroegen ze aan het eind van het ge- sprek. Dat kan ik van deze groep niet beoordelen, maar dat er een tijdgeest waart onder jonge academieverlaters in Nederland lijkt me wel duidelijk. Men verlaat de academie met betrekkelijk veel zelfvertrouwen, men durft het kunstenaarschap wel aan, men is vol goede moed en denkt de wereld duidelijk te kunnen maken wat de waarde van kunst is. Dat is een heel goede uitgangspositie.


Education in Art and Design
Peter Smeets, Elsbeth Veldpape

‘Ik voel me zowel kunstenaar als docent’, antwoordden veel afgestudeerden van de docentenopleiding beeldende kunst en vormgeving op onze vraag: ‘Hoe zie je jezelf in eerste instantie?’. Terugkijkend op hun opleiding hebben ze soms een zekere wrijving of zelfs competitie ervaren tussen het beeldend vak en het docentschap, waarin zij zich fifty-fifty hebben moeten ontwikkelen.

Was het enkele decennia geleden nog bon ton om te zeggen dat je het docentschap vanzelf onder de knie kreeg als je het beeldend vak maar beheerste; die opvatting is inmiddels al lang verlaten. Lesgeven is een vak en vooral in het middelbaar onderwijs worden hoge eisen gesteld aan de pedagogische en didactische kwaliteiten van de docent. Hoe kun je leerlingen inspireren en hoe zorg je er voor dat je lessen ‘aankomen’? Op dat vlak valt gelukkig een boel te leren: ‘Ik dacht dat het erg makkelijk zou zijn om docent te zijn, maar dat idee is totaal veranderd’, zegt Frauke van der Harst. ‘Het belang van onderwijs en hoe je vak over te brengen, daar heb ik op de opleiding enorm veel over geleerd. Ik ben er ook erg in gegroeid vind ik zelf en ik heb meer zelfvertrouwen gekregen’. Dat blijkt, want de brugklassers op haar stageschool droegen haar unaniem voor als docent van het jaar. Ook Malou Paul ziet een duidelijke groei in haar docentvaardigheden. Als haar mooiste ervaring gedurende de opleiding noemt ze haar LIO-stage op de Pabo Arnhem: ‘voor het eerst had ik het gevoel dat ik de dingen onder controle had en het lesgeven in de vingers kreeg!‘

Sommige afgestudeerden tonen een duidelijke voorkeur voor het kunstenaarschap ofwel het docentschap, maar de meesten kunnen na hun opleiding deze twee dingen niet meer los van elkaar zien: ‘Ze vullen elkaar aan’ zegt Hans Weenink: ’De beste kunstdocent is zelf ook kunstenaar en de beste kunstenaar kan zijn visie uitleggen aan leerlingen’. Hans ziet zijn visie op kunst als een belangrijke gemeenschappelijke noemer van zijn kunstenaarschap en docent-schap: want kun je die visie verwoorden en overbrengen op anderen, dan zul je daarmee automatisch ook je eigen beeldend werk expliciteren.

Behalve de beeldende praktijkvakken speelden tijdens de studie de vakken van het domein ‘Theorie der kunsten’ een belangrijke rol in deze visieontwikkeling. ‘Toen ik aan de opleiding begon was ik bijna enkel bezig met graffiti en strips nu lees ik zelfstandig boeken over (kunst)filosofie’ zegt Hans. ‘Het ingrijpendste van de hele studie vond ik de verandering van mijn kijk op kunst’, zegt Vanessa Kauwenbergh, en zij tekent daarbij aan dat vooral de veertiendaagse kunstreis in het tweede jaar in dat opzicht van onschatbare waarde was: ‘Het is iets unieks, wat ben ik blij dat ik dat heb mogen ervaren!’

Het is ook wel begrijpelijk dat de afstudeerders hun kunstenaarschap en docentschap in elkaars verlengde zien: ‘Voor de klas staan is elke dag anders, en dit is bij de (beeldende) opleiding ook zo’ zegt Merel Coenraad. Voor beide heb je vergelijkbare talenten nodig die te maken hebben met creativiteit. Om een goede kunstenaar of docent te kunnen zijn moet je niet meteen voor de eerste de beste optie gaan, dingen van verschillende kanten kunnen bekijken, flexibel zijn en improvisatievermogen hebben.

Geen van de studenten wil echter zo ver gaan het onderscheid docent- kunstenaar maar helemaal op te heffen, zoals de Duitse kunstenaar Joseph Beuys, (1921-1986) deed. Beuys noemde ‘ieder mens een kunstenaar’ en beschouwde de menselijke samenleving als ruw materiaal -zoiets als boetseerklei- waarmee het ultieme kunstwerk, de ‘Soziale Plastik’, tot stand gebracht moest worden. Het stuit de afgestudeerden misschien ook wel tegen de borst om iedereen zomaar een kunstenaar te noemen; daarvoor doe je per slot van rekening geen vierjarige studie. En wellicht is het ook wat al te ambitieus om de hele maatschappij meteen aan te willen pakken. Toch zou het een aardige gedachte zijn om de ongevormde leerling als materiaal te zien en zijn beeldende ontwikkeling als het beoogde kunstwerk van de docent. En zo een Beuysiaanse brug te slaan tussen kunstenaarschap en docentschap.


Peter Smeets
Coördinator DBKV Arnhem

Elsbeth Veldpape
Opleidingscoördinator DBKV Arnhem/Zwolle